045. Bijbelstudie over Romeinen 7

 

DOOD VOOR DE WET - WELKE WET?

 

Deel 2: Romeinen 7:13-26

 

 

In deze tweedelige bijbelstudie willen wij één van de bijbelgedeelten nader onderzoeken, die reeds door de eeuwen heen het meest gebruikt worden om daarmee aan te tonen dat de nieuwtestamentische gelovigen vrij zouden zijn van de Wet en niet meer verplicht zouden zijn om deze te gehoorzamen: het zevende hoofdstuk van de brief die Rav Sha’ul geschreven heeft aan de Messiasbelijdende gemeente te Rome, beter bekend als de brief van Paulus aan de Romeinen. Het is een moeilijk gedeelte en om dit hoofdstuk goed te kunnen begrijpen moeten we ons steeds voor ogen houden dat de gelovigen van alle eeuwen te maken hebben met verschillende wetten, namelijk o.a. de wetten van G’d, de wetten van de geestelijke leiders, de wetten van de overheid en de wetten van de natuur. Als Sha’ul het in zijn brieven dus heeft over de wet, dan moeten we goed in de gaten houden over welke wet hij het op dat moment heeft. Wij moeten derhalve dit bijbelgedeelte zeer nauwkeurig vers voor vers gaan bestuderen. Ook de samenstellers van de Studiebijbel, die doorgaans geraadpleegd wordt bij de opleiding van predikanten, hebben dit gedaan en door sommige commentaren op deze verzen velen op een dwaalspoor gebracht. Daarom zal ik in deze studie ook deze commentaren citeren en uitleggen wat daaraan vanuit de Messiaanse visie gezien verkeerd is. Tevens zal ik enkele interessante commentaren van Matthew Henry citeren, die ons hierbij een waardevolle aanvulling bieden. De NBG-vertaling heeft het hele hoofdstuk 7 opgesplitst in tweeën en beide delen voorzien van een tussenkop, te weten vers 1 t/m 12: “De betekenis der Wet” en vers 13 t/m 26: “Strijd van Wet en zonde”. Ik ga daarin mee en heb mijn bijbelstudie over Romeinen 7 eveneens opgesplitst in twee delen. Vandaag behandelen wij deel twee:

 

Strijd van Wet en zonde

 

Vers 13: “Is dan het goede mijn dood geworden? Volstrekt niet! Maar de zonde heeft, opdat zij zou blijken zonde te zijn, door het goede mijn dood bewerkt, opdat de zonde bij uitstek zondig zou worden door het gebod.”

 

Matthew Henry geeft hieraan de volgende uitleg: “Zij werkte in mij door het goede de dood. Zo werd het gebod, dat verordend was ten leven, dat bedoeld was als een gids op de weg naar gelukzaligheid en verheuging, bevonden de dood te zijn, door de verdorvenheid onzer natuur, en hetzelfde woord dat de ene een reuk des levens ten leven is, dat is de ander een reuk des doods ten dode. Dezelfde zon maakt de bloemen welriekender, maar ook de mesthoop stinkender; dezelfde hitte smelt was, maar versteent klei; hetzelfde kind werd gesteld tot een val en tot een opstanding voor velen in Israël. Het middel om dit ongeluk te voorkomen is onze zielen te buigen onder het gebiedend oppergezag van het woord en de Wet G’ds; er niet tegen in te gaan maar ons er aan te onderwerpen.” Tot op zekere hoogte sluit het commentaar van de

Studiebijbel op pag. 181 bijna naadloos aan: “De vraag of de Wet iets met de zonde te maken heeft, is door Paulus negatief beantwoord. De Wet en de geboden zijn heilig, rechtvaardig en goed. G’ds bedoeling daarvan is dat het ware karakter van de zonde openbaar zou worden en dat de zonde in al haar slechtheid zou worden ontmaskerd.” Op de pagina’s 458 en 460 geeft de Studiebijbel echter een opmerkelijke en gevolgrijke draai aan deze woorden van Sha’ul: “In vers 13 wordt gezegd dat de zonde, door gebruik te maken van het goede, namelijk de Wet, de dood bewerkt. Dit betekent, dat het ‘ik’ in de verzen 14-25 het door de zonde aan de dood uitgeleverde ‘ik’ is. Het is dus niet het ‘ik’ dat in de kracht van de Geest strijdt tegen het vlees. Er is heel wat geschreven over de invulling van het ‘ik’ in Romeinen 7. Er dienen zich twee interpretatiemogelijkheden aan: 1. een autobiografische en 2. een retorisch-heilshistorische. De strikt autobiografische visie, als zou Paulus hier alleen spreken over zijn eigen strijd met de Wet vóór zijn bekering, moeten wij afwijzen. Paulus’ eigen getuigenis vertoont geen spoor van de in Rom. 7 geschilderde strijd met de Wet. De autobiografische interpretatie is in strijd met wat Paulus elders in het NT van zichzelf getuigt. Wat hij in Rom. 7 zegt, is zijn begrip van wat de Wet doet, los van de belofte. De meeste uitleggers hebben dan ook deze autobiografische, psychologiserende uitleg verlaten. Dan blijft over een retorisch-heilshistorische betekenis van het ‘ik’. Rom. 7 en 8 zijn eerder betrokken op heilshistorische categorieën dan op individuele ervaringen. Paulus beschrijft in deze verzen wat de Wet bewerkt bij de wetgetrouwe jood, zoals hij zelf ook was, en zoals hij dat nu ziet met de ogen van het geloof in Jezus. Zo bezien is het ‘ik’ in Rom. 7 de uit de Wet levende joodse gelovige vóór de komst van Christus, waarbij de betekenis van de Wet wordt bezien vanuit het geloof in Christus. Paulus beschrijft hier de uit de Wet levende en zich in de Wet verlustigende joodse gelovigen, met wie hij zich zo gemakkelijk kan vereenzelvigen, omdat hij zelf ook zo was.” Op pag. 457 laten de commentatoren van de Studiebijbel ons weten dat zij niet de enigen zijn die tot deze conclusie zijn gekomen: “In de moderne bijbelwetenschap (inclusief de evangelische theologie) is men doorgaans van mening dat Paulus in Romeinen 7 niet spreekt over de Geestvervulde christen, maar over de joodse gelovige, die nog onder de Wet leeft.” Henry daarentegen komt in zijn commentaar op vers 14 echter tot een heel andere conclusie: “Hier is een beschrijving van de strijd tussen genade en verdorvenheid des harten; tussen de Wet van G’d en de wet der zonde. En dat kan op twee wijzen toegepast worden: 1. Op de worstelingen, die er zijn in een overtuigde ziel, maar die nog onwedergeboren is; gelijk velen onderstellen dat Paulus hier bedoelt. 2. Op de worstelingen in een vernieuwde, geheiligde ziel, maar die nog in de staat der onvolmaaktheid verkeert; zoals anderen onderstellen. En er is groot verschil en veel strijd over de vraag, welke van die beide door de apostel hier bedoeld wordt. Het kwaad treedt hier zozeer op de voorgrond, dat de apostel spreekt van iemand, die verkocht is onder de zonde, die doende en niet het goede verrichtende. Het schijnt bezwaarlijk dit toe te passen op de wedergeborenen, die beschreven worden als dezulken, die niet wandelen naar het vlees maar naar de Geest. Maar toch spreekt de apostel van mensen in wie het goede zover heerst dat zij de zonde haten, de Wet toestemmen, er een vermaak in hebben, de Wet van G’d met de geest dienen; en het is nog bezwaarlijker dat toe te passen op de onwedergeborenen die dood zijn in zonden en misdaden. Laat ons het eerst toepassen op de worstelingen, die voorkomen in een overtuigde ziel, die nog in de staat van zonde is, de wil des Heren kent maar die niet volbrengt; die de dingen welke uitnemender zijn erkent, die onderwezen is uit de Wet, maar haar desniettemin voortdurend breekt. Dit is niet het geval met alle onwedergeborenen, maar alleen met hen die overtuigd zijn door de Wet doch niet veranderd door het Evangelie. Hij schetst hier het beeld van iemand die onder de Wet en niet onder de genade is, en dus onder de heerschappij der zonde, ofschoon het zeer moeilijk te begrijpen is hoe de apostel indien hij zulke mensen op het oog heeft, het gehele betoog door van zichzelf spreekt, en niet in de verleden, maar in de tegenwoordige tijd. Indien hij dus hier spreekt over dezelfde toestand als over zijn tegenwoordige staat en de omstandigheid waarin hij thans verkeert, dan bedoelt hij zeker niet dat het moet opgevat worden gelijk boven aangegeven is; en daarom moet het veel meer opgevat worden als gezegd van de worstelingen, die plaatsgrijpen tussen de genade en de verdorvenheid in de geheiligde zielen. Het is ontegensprekelijk dat er overblijfsels van het inwonend bederf zijn ook waar een levend beginsel van genade gevonden wordt, en het is niet minder zeker dat dit bederf dagelijks aan het licht treedt in zonden van zwakheid; die bestaanbaar zijn met een staat van genade. ‘Indien wij zeggen dat wij geen zonden hebben, zo bedriegen wij onszelf’ (1 Johannes 1:8-10). Evenzo staat het vast, dat waarachtige genade tegen deze zonden en dit bederf strijdt, ze niet toelaten wil, ze haat, er over treurt, en er onder kermt als onder een last: ‘Het vlees begeert tegen de Geest, en de Geest tegen het vlees, en deze staan tegenover elkaar, alzo dat gij niet doet hetgeen gij wilt.’ (Galaten 5:17). Deze zijn, naar mijn mening, de waarheden, waarop de apostel hier de aandacht vestigt. En zijn voornemen is verder de natuur van de heiligmaking te schetsen; dat zij geen volkomen zondeloosheid in dit leven doet bereiken; en ons daardoor te verlevendigen en aan te sporen in onze worstelingen met het overgebleven bederf. Ons lot is daardoor niet beslist; datgene waartegen wij oprecht strijden, zal ons niet ten laste gelegd worden, en door genade is de uiteindelijke overwinning verzekerd.” Henry deelt duidelijk niet de verkeerde opvatting om het ‘ik’ in Rom. 7 niet letterlijk te nemen omdat Sha’ul het hier niet over zichzelf zou hebben, maar over de onverloste Joodse gelovige die nog onder de Wet is. Henry gaat daarin niet mee, en ik geef hem groot gelijk! Sha’ul heeft het wel degelijk over zichzelf en hij spreekt niet over een probleem dat hij vroeger had, maar waar hij nu nog steeds mee zit.

 

Vers 14: “Wij weten immers, dat de Tora geestelijk is; ik echter ben vlees, verkocht onder de zonde.”

 

Toch blijft de Studiebijbel de tegenwoordige tijd waarin Sha’ul schrijft, heel anders interpreteren: “Door het gebruik van de tegenwoordige tijd geeft Paulus een levendige schildering van het leven ‘onder de Wet’, dat hij en zijn lezers zo goed kennen vanwege hun joodse achtergrond en waarmee sommigen mogelijk nog steeds worstelen. Hij beschrijft de wetsgetrouwe joden die met hun verstand wel de Wet van G’d willen houden, maar overmeesterd worden door de zonde die in hen woont (pag.181). Het is duidelijk, dat Paulus hier niet schrijft over de ‘nieuwe mens’. Het is tevens zo dat ook de christen, omdat hij nog niet volmaakt is, een ‘oude ik’ heeft, zodat wat Paulus hier zegt ook hem niet vreemd is. Maar de christen is bezig de oude mens af te leggen en de ‘nieuwe mens’ aan te doen (pag. 183).” Vooral dat laatste vind ik nogal wat. Voor de Messiasbelijdende Joden die de Tora naleven geldt dit in hun optiek blijkbaar niet. Ik zie daarin een behoorlijke kronkel, want volgens de Studiebijbel zijn dus wel de christenen bezig de ‘nieuwe mens’ aan te doen, maar de gelovigen uit de Joden hebben nog steeds het ‘oude ik’ en worden overmeesterd door de zonde die in hen woont omdat zij nog ‘onder de Wet’ zijn. Matthew Henry geeft gelukkig wel een ruimere uitleg van vers 14: “Zelfs waar geestelijk leven is, zijn er nog overblijfselen van vleselijke genegenheden; en in zoverre kan iemand gezegd worden te zijn ‘verkocht onder de zonde’. Hij verkoopt zichzelf niet om g’ddeloosheid te plegen, gelijk Achab deed (1 Kon. 21:25), maar hij werd door Adam verkocht toen deze zondigde en viel; verkocht onder de zonde, omdat hij in ongerechtigheid ontvangen en in zonde geboren werd.”

 

Vers 15: “Want wat ik uitwerk, weet ik niet; want ik doe niet wat ik wens, maar waar ik een afkeer van heb, dat doe ik.”

 

Commentaar Studiebijbel: “Paulus spreekt nog steeds in de eerste persoon, mede namens allen die deze ervaring hadden of nog hebben: mensen die de Wet kennen als openbaring van G’ds wil en die toch niet in staat zijn haar te volbrengen. Dat wat ze eigenlijk willen, doen ze niet; dat wat ze eigenlijk haten en verafschuwen, doen ze. Door de slavernij onder macht der zonde is de mens gespleten geraakt (pag. 183).” Op zich klopt het wel wat ze hier schrijven, toch geldt dit echter niet slechts voor Messiasbelijdende gelovigen die de Wet kennen als openbaring van G’ds wil, maar ook voor christenen die de Wet niet kennen en deze juist daarom voortdurend overtreden. Wat dat betreft ziet Henry deze problematiek iets scherper, want zoals reeds opgemerkt heeft Sha’ul het volgens Henry wel over zichzelf en gebruikt het ‘ik’ niet slechts als beeldspraak en zo beschrijft Henry de innerlijke worsteling van Sha‘ul als volgt: “Zodanig was de kracht van dat bederf, dat hij de volmaking in heiligheid, welke hij begeerde en die hij najaagde, niet bereiken kon. Daarom, terwijl hij voorwaarts streefde naar de volmaking, moest hij voortdurend bekennen dat hij het nog niet gegrepen had en nog niet volmaakt was (Fil. 3:12). Tevergeefs wilde hij bevrijd zijn van alle zonden en volkomen de Wet van G’d doen; dat was zijn stellige begeerte, maar zijn bedorven natuur dreef hem een andere weg op.” Ik ben ontzettend blij met dat citaat uit Filippenzen 3:12, want daarin heeft de wedergeborene en Geestvervulde Sha’ul het echt wel over zichzelf en niet over een ander als hij schrijft dat ook hij nog niet volmaakt is, maar dat hij zich daar evenals wij nog steeds naar uitstrekt. Ik citeer uit ‘Het Boek’ eerst vers 8 en ga dan verder met de verzen 12 tot 14: “Ik heb alles als vuilnis weg gegooid om Christus te kunnen ontvangen en één met Hem te zijn. Daarmee wil ik niet zeggen dat ik er al ben of dat ik al volmaakt ben, maar wel dat ik met dat doel voor ogen blijf doorgaan. Die volmaaktheid probeer ik te grijpen, waarvoor ook Christus mij gegrepen heeft. Ik denk niet dat ik daarin al geslaagd ben, broeders, maar één ding weet ik zeker -en daarbij vergeet ik wat achter mij ligt en strek ik mij uit naar wat voor mij ligt- ik snel recht op mijn doel af; ik wil de prijs behalen die, nu G’d mij door Christus Jezus geroepen heeft, in de hemel voor mij klaarligt.” Laten wij het goede voorbeeld van Sha’ul ook in ons eigen leven navolgen.

 

Vers 16: “Indien ik nu wat ik niet wens, toch doe, stem ik toe, dat de wet goed is.”

 

Henry schrijft: “Hier is de toestemming van het verstandelijk oordeel. Waar genade gevonden wordt, daar is niet alleen vrees voor de gestrengheid der Wet, maar ook toestemming dat zij goed is. Zij is goed in zichzelf en zij is goed voor mij. Dit is een teken dat de Wet geschreven is in het hart; dat de ziel in haar vorm gegoten is. Toestemmen dat de Wet goed is, betekent haar goed te keuren zodat men haar inhoud niet anders wensen zou. Het geheiligd verstand erkent niet alleen de billijkheid van de Wet, maar ook haar voortreffelijkheid, omdat het overtuigd is dat gelijkvormigheid aan de Wet de hoogste volmaking van de menselijke natuur is, en de hoogste eer en gelukzaligheid waarvoor wij vatbaar zijn.” In de Studiebijbel lezen wij op pagina 183: “De mens die de Wet kent, wil eigenlijk de Wet niet overtreden, maar toch doet hij het. De Wet veroordeelt vanzelfsprekend iedere overtreding. Zo stemmen de mens en zijn wil en de Wet overeen in hun afkeuring van de overtreding en de mens stemt dus in met het feit, dat de Wet goed is.” Kijk, en juist deze conclusie die de samenstellers van de Studiebijbel hier trekken, vind ik op zijn zachtst gezegd dubbelslachtig, want aan de ene kant noemen zij zelf het hier een feit dat de Tora goed is, maar aan de andere kant bejegenen zij de Tora en degenen die de Tora naleven verder op een bijzonder negatieve wijze. Hoe kan je iets dat goed is negatief zien? 

 

Vers 17: “Doch dan bewerk ik het niet meer, maar de zonde, die in mij woont.”

 

Commentaar Studiebijbel: “Aangezien de mens zelf instemt met de goedheid van de Wet en zijn eigen daden verafschuwt, moet men wel tot de conclusie komen, dat hij de overtreding niet zelf bewerkt, maar dat dit gebeurt door de in hem wonende zonde. Paulus spreekt hier nog steeds over de mens die onder de Wet leeft en de genade van Christus nog niet heeft leren kennen (pag. 185).” Deze uitleg begint goed, want het klopt inderdaad dat de overtreding niet door de gelovige zelf bewerkt wordt, maar door de zonde die in hem woont, maar het is jammer dat ze dit steeds weer toepassen op de mensen die gehoorzaam zijn aan G’ds Wet en dan ook nog het lef hebben om te beweren dat deze mensen de genade van Yeshua nog niet hebben leren kennen. Henry daarentegen neemt het ‘ik’ in vers 17 letterlijk en past het toe op Sha’ul: De schuld lag bij die verdorvenheid van zijn natuur, welke hij oprecht betreurde en waartegen hij worstelde: ‘Ik dan doe dat zelf niet meer, maar de zonde die in mij woont.’ Dat zegt hij tweemaal, in vers 17 en 20; niet als een verontschuldiging voor de schuld van zijn zonde, maar als een staving voor zijn bewijsvoeringen, opdat hij niet in wanhoop zou wegzinken, maar troost putten uit het verbond der genade, dat de bereidwilligheid van de geest aanneemt en voorzien heeft in vergeving voor de zwakheid van het vlees. Hij tekent hierdoor gelijktijdig verzet aan tegen al hetgeen de inwonende zonde voortbrengt. Na zijn instemming met G’ds Wet betuigd te hebben, belijdt hij hier zijn afkeer van de wet der zonde.”

 

Vers 18: “Want ik weet, dat in mij, dat wil zeggen in mijn vlees, geen goed woont. Immers, het wensen is wel bij mij aanwezig, maar het goede uitwerken, kan ik niet.”

 

Commentaar Studiebijbel: “Het ‘vlees’ is weer de oude zondige natuur die vooral gekenmerkt wordt door de zondige verlangens van het lichaam en daarnaast door bedorven gedachten. Is er buiten dat ‘vlees’ dan nog iets goeds aan de mens? Bij de mens is nog wel een bewustzijn van goed en kwaad en een wil om het goede te doen, maar dit willen wordt zodanig overheerst door de zonde die in het vlees woont, dat zij haar verlangen niet in daden kan omzetten (pag. 185). De oproep uit Romeinen 6 om de leden niet langer ten dienste van de zonde te stellen, maar ten dienste van G’d, is in Romeinen 7 een uitgemaakte zaak: daar heerst de zonde! Zo zien we dat niet alleen de context, maar ook de bijbeltekst zelf ons geen andere mogelijkheid overlaat dan dat Paulus in Romeinen 7:7-25 een beschrijving geeft van het ‘leven onder de wet’. Hij beschrijft de mens die met zijn verstand wel de Wet van G’d wil houden, maar in de praktijk overmeesterd wordt door de zonde, die in hem woont. Hij spreekt hier over de g’dsdienstige, wetgetrouwe jood (pag. 458). Dat de strijd tegen de zonde ook aanwezig is in het leven van mensen die door Jezus Christus verlost zijn, wordt hier niet betwist. Die strijd wordt echter niet in Romeinen 7 beschreven. Romeinen 6 en 8 zijn er duidelijk over dat die strijd op een andere basis en met andere middelen wordt gestreden! (pag. 459).” Wel, deze stelling slaat volgens mij nergens op, want de hoofdstukken 6, 7 en 8 vormen tezamen namelijk één geheel en ik zou het niet erg logisch vinden als Sha‘ul het in het zesde hoofdstuk over verloste christenen zou hebben, maar in het zevende hoofdstuk met ‘ik’ opeens een orthodoxe Jood zou bedoelen en vervolgens in het achtste hoofdstuk opeens weer verloste christenen. Ik zie daar echt de logica niet in, want als ik deze drie hoofdstukken achter elkaar lees dan zie ik heel duidelijk dat Sha’ul in hoofdstuk 7 aan de hand van zijn eigen voorbeeld aan zijn lezers wil duidelijk maken dat wij door onze bekering niet van alle ellende af zijn, maar dat de strijd dan pas echt begint! Natuurlijk past deze innerlijke strijd en zijn eigen zwakte hierbij niet in het beeld dat het christendom heeft van de grote, vurige en sterke apostel Paulus die op alle vragen een antwoord heeft en rotsvast in het geloof staat. Het is daarom ergens wel logisch dat men die passages waarin Sha’ul toegeeft dat ook hij het heel moeilijk had om zich staande te houden en zelf ook een zondig mens was, projecteert op een ander en de passages waarin hij zijn overwinning in de kracht van Ruach haQodesh [de Heilige Geest] beschrijft, wel op hemzelf toepast. Nogmaals, ik kan deze manipulatieve gedachtegang ergens wel volgen, want de wens is immers de vader van de gedachte, maar ik vind dit wel erg gevaarlijk omdat deze uitleg helaas velen op een fatale dwaalspoor heeft gebracht. Gezien het feit dat Sha’ul zijn brief niet aan orthodoxe, maar aan Messiasbelijdende Joden gericht heeft komt de bewering van de samenstellers van de Studiebijbel er dus op neer, dat ook Messiasbelijdende Joden die de Tora naleven, de genade van Yeshua haMashiach nog niet zouden hebben leren kennen, wat met christenen die G’ds Wet niet meer relevant vinden, blijkbaar wel het geval zou zijn. De waarheid is echter dat niet alleen Messiasbelijdende Joden gehoorzaam zijn aan de geboden van G’ds Wet, maar ook talrijke gelovigen uit de volken, en dat niet omdat zij hun verlossing daarmee zelf willen bewerken, maar juist uit dankbaarheid voor de genade en het offer van Yeshua, alsook uit liefde en gehoorzaamheid aan hun hemelse Vader.

 

Vers 19: “Want niet wat ik wens, het goede, doe ik, maar wat ik niet wens, het kwade, dat doe ik.”

 

Commentaar Studiebijbel: “Dit vers is in wezen een herhaling van vers 15b. Deze herhaling is echter bewust gekozen om de innerlijke verdeeldheid en ellende van de mens die onder de Wet leeft en zich in de macht van de zonde bevindt, te benadrukken (pag. 185).” Opnieuw wordt deze innerlijke verdeeldheid en ellende door de samenstellers van de Studiebijbel uitsluitend toegeschreven aan mensen die de Tora naleven en ergens hebben ze daar ook nog wel gelijk in, want iemand die zichzelf niet aan G’ds Wet gebonden ziet kan ook geen strijd ervaren tussen de Wet van G’d en de wet der zonde, want hij is namelijk wetteloos. Dus in zoverre klopt het wel dat alleen iemand die G’ds Wet probeert na te leven deze innerlijke verdeeldheid kan ervaren. Alleen klopt het niet om te zeggen dat hij dan onder de Wet leeft, want hij is helemaal niet onder de Wet. Hij neemt de Wet in acht, maar dat is niet hetzelfde als ‘onder de Wet’ zijn!

 

Vers 20: “Indien ik nu datgene doe, wat ik niet wens, dan bewerk ik het niet meer, maar de zonde, die in mij woont.”

 

Commentaar Studiebijbel: “Dit vers vat de verzen 16 en 17 nog eens samen; ook hier geldt, dat Paulus wil benadrukken, hoezeer de onder de Wet levende mens aan de macht van de zonde is uitgeleverd (pag. 187).” Nogmaals, dit geldt niet alleen maar voor mensen die volgens dit commentaar ‘onder de Wet’ zijn, maar voor alle gelovigen en óók, of misschien moet ik zeggen: juist ook voor gelovigen die denken vrij te zijn van de Wet. Ook zij hebben net als wij last van der macht der zonde. Recente voorbeelden dat ook zij niet volmaakt zijn leveren diverse grote schandalen in de evangelische wereld, die de voorpagina’s en nieuwsuitzendingen haalden.

 

Vers 21: “Zo vind ik dan deze regel: als ik het goede wens te doen, is het kwade bij mij aanwezig;”

 

Toch blijft de Studiebijbel haar standpunt steeds herhalen: “Iedereen die onder de Wet leeft, heeft deze ervaring: het kwade wordt in de praktijk het meest gedaan (pag. 187).” Dat degenen die de Wet kennen en haar nastreven deze ervaring hebben kan ik alleen maar beamen. Maar dat wil nog niet zeggen dat dit principe voor de overige gelovigen niet van toepassing zou zijn. Ook in die kringen wordt het kwade in de praktijk het meest gedaan, alleen ervaren zij dat niet als zodanig omdat ze zich er niet van bewust zijn dat zij G’ds regels en inzettingen overtreden, want zij gaan er ten onrechte van uit dat deze voor hen niet van toepassing zijn. Maar G'd houdt van ons met al onze zwakheden en tekortkomingen. Hij wil niet dat ook maar één van Zijn schapen verloren gaat. Hij ziet ons hart! Hij ziet of wij het écht menen in onze worsteling met de verleiding van deze zonden, maar Hij ziet ook onze zwakheid daarin. Hij weet wel dat wij Hem graag willen dienen en Hem graag willen gehoorzamen, maar dat het ons vaak niet lukt omdat we zo zwak zijn. Daarom heeft niemand minder dan Yeshua zelf tegen ons allen, dus ook tegen mij en u, tot twee keer aan toe gezegd: "Waakt en bidt, dat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak!" (Mattheüs 26:4 en Marcus 14:38). De Eeuwige weet dus dat de geest gewillig is, maar dat het vlees zwak is. Onze geest neemt zich steeds voor om het niet meer te doen, maar ons vlees is zwak en daarom gebeurt het toch steeds weer. Ik zeg niet dat het dan prima is om ermee door te gaan, nee, beslist niet. Yeshua zegt ons dat alle zonden vergeven worden aan degenen die berouw tonen en om vergeving vragen. En dat wij ook daarna weer zondigen is niet goed te praten, maar wel menselijk. Daarom zegt Yeshua ook dat het vlees zwak is. Zolang wij nog in dit vergankelijke lichaam zijn en nog niet het verheerlijkte opstandingslichaam hebben, zullen wij voorlopig nog wel onvolmaakt blijven. Maar wij moeten onze zonden keer op keer belijden en om vergeving vragen. Pas als wij van onszelf denken dat wij nu geen zondaars meer zijn zit het echt fout...

 

Vers 22: “want naar de inwendige mens verlustig ik mij in de Wet G’ds,”

 

Commentaar Studiebijbel: “Paulus zegt: ‘In mijn innerlijke mens verheug ik me in de Wet van G’d.’ De toevoeging ‘van G’d’ geeft aan, dat het hier weer om de Mozaïsche wet gaat, die door G’d werd gegeven. Paulus -hij spreekt hier nog steeds namens allen die door het houden van de Wet hun heil verwachten- verheugde zich in deze wet, d.w.z. hij was het van harte eens met de Wet en was blij met zulke rechtvaardige en heilzame voorschriften. Deze blijdschap betrof echter alleen de ‘inwendige mens’. Deze ‘inwendige mens’ blijkt in dit gedeelte gelijk te zijn aan het verstand of aan de goede wil. Deze inwendige mens werd in de praktijk overheerst door de zonde die in het vlees woont. Paulus onderscheidt hier in de wetsgetrouwe joodse gelovige als het ware twee aspecten. Aan de ene kant staat ‘het vlees’, de zondige natuur van de mens, die -hoewel ze zeker ook het denken omvat- gekenmerkt wordt door de lichamelijke lusten. Aan de andere kant staat de ‘inwendige mens’: dat deel van de mens dat zich van G’d en Zijn Wet bewust is en daarmee instemt. Deze ‘inwendige mens’ moet echter door G’ds Geest worden vernieuwd en bekrachtigd, want alleen dan kan de zonde overwonnen worden (pag. 187-189).” Wat dat laatste betreft hebben ze zeker gelijk, maar dat kan nooit bereikt worden door de Tora te negeren of af te schaffen. Integendeel! De ‘inwendige mens’ kan alleen maar door G’ds Geest vernieuwd worden door de Tora juist in onze harten te schrijven, want dat is immers haB’rit haChadasha, het Nieuwe Verbond dat reeds door de profeet is aangekondigd: “Zie, de dagen komen, luidt het woord van Adonai, dat Ik met het huis van Israël en het huis van Juda een nieuw verbond sluiten zal. Niet zoals het verbond, dat Ik met hun vaderen gesloten heb ten dage dat Ik hen bij de hand nam, om hen uit het land Egypte te leiden: mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ik Heer over hen ben, luidt het woord van Adonai. Maar dit is het verbond, dat Ik met het huis van Israël sluiten zal na deze dagen, luidt het woord van Adonai: Ik zal Mijn Tora in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven!”  (vhymry Yir’m’yahu [Jeremia] 31:31-33). Sha’ul had deze profetie in gedachten bij zijn betoog in vers 22 van zijn brief aan de messiasbelijdende gelovigen te Rome, dat hij zich naar zijn inwendige mens verlustigt in de Tora van Adonai, want die is door het volbrachte werk van Yeshua en de vervulling met Ruach haQodesh “niet met inkt geschreven, maar met de Geest van de levende G’d, niet op tafelen van steen, maar op tafelen van vlees in de harten!” (2 Korinthiërs 3:3). Wij moeten dus de wet van G’d, de Tora, in ons hart hebben en niet de wet der zonde die binnen ons werkt. Dat en niets anders wordt hier door Sha’ul bedoeld! Het Nieuwe Verbond heeft de Tora dus niet afgeschaft en vervangen zoals in de kerken reeds eeuwenlang verkondigd wordt, maar juist door inwoning van Ruach haQodesh in ons binnenste gelegd en in onze harten geschreven! Als wij dat goed beseffen kunnen ook wij ons verlustigen in de Wet van G’d! Henry schrijft: “Het is niet genoeg de Wet toe te stemmen, in de Wet vermaak te hebben, wij moeten de Wet dienen! Onze ziel moet aan haar geheel en al overgegeven zijn in gehoorzaamheid. Zo was het met het gemoed van Paulus; zo staat het met elk vernieuwd gemoed; dat is de gewone loop der zaak; hiernaar gaat de begeerte der ziel uit. Dat toont duidelijk dat hij hier spreekt van zichzelf en niet van een ander.”

 

Vers 23: “maar in mijn leden zie ik een andere wet, die strijd voert tegen de wet van mijn verstand en mij tot krijgsgevangene maakt van de wet der zonde, die in mijn leden is.”

 

Commentaar Studiebijbel: “Paulus spreekt hier nog steeds over de mens die onder de Wet leeft voor wie de verlossing door Jezus Christus nog toekomst is (pag. 189). De Wet van G’d, de eerste wet, was machteloos met het oog op de tweede wet, die van zonde en dood (pag. 465). De mens over wie Paulus in Rom. 7:7-25 schrijft, is ten enenmale niet te vereenzelvigen met die uit Rom. 6 of Rom. 8. Terwijl Romeinen 7:23 spreekt over ‘krijgsgevangene’ van de wet der zonde, heeft Romeinen 8:2 het over ‘vrijgemaakt van de wet der zonde’. In Romeinen 6 is de zonde onttroont en heeft deze zijn heerschappij verloren. Maar in Rom. 7:14,23 is het juist zo, dat de zonde de volle heerschappij voert (pag. 458). In Rom. 7 heeft Paulus het dus niet over de Geestvervulde christen, die pas in Rom. 8 ter sprake komt (pag. 459).” In vers 22 schreef Sha’ul dat hij zich verlustigt in de Wet van G’d, de Tora die hij in vers 12 nadrukkelijk ‘heilig en rechtvaardig en goed’ noemde. Het is dus onbegrijpelijk dat de samenstellers van de Studiebijbel zo krampachtig blijven volharden in hun dwaalstelling dat voor de gelovigen die zich in de volmaakte Wet van G’d verlustigen de verlossing door Yeshua haMashiach nog toekomst zou zijn en dat zij niet Geestvervuld zouden zijn. Afijn, hier in vers 23 heeft Sha’ul het echter niet over de Wet van G’d, maar over een andere wet die strijd voert met de wet van zijn verstand. Deze wet identificeert hij met ‘wet der zonde’, dat is onze zondige vleselijke aard, die in elk mens zit en waar niet alleen gelovige joden last van hebben, maar ook zogenaamde Geestvervulde mensen. Waarom schrijf ik ‘zogenaamd’? Omdat ik er grote twijfels bij heb of mensen die G’ds wetten en inzettingen niet naleven überhaupt wel Geestvervuld zijn. De Bijbel zegt van niet! Uitgerekend in Romeinen 8, waarvan de Studiebijbel beweert dat pas in dat hoofdstuk de Geestvervulde christen ter sprake komt, staat juist dat degenen die G’ds Wet, de Tora NIET gehoorzamen, nog in het vlees zijn en niet vervuld zijn met de Heilige Geest! Ik vind dit tekstgedeelte dermate belangrijk dat ik u wil verzoeken om het even in verschillende vertalingen te gaan lezen. Laten we maar beginnen met de NBG-vertaling: “Want zij, die naar het vlees zijn, hebben de gezindheid van het vlees, en zij, die naar de Geest zijn, hebben de gezindheid van de Geest. Want de gezindheid van het vlees is de dood, maar de gezindheid van de Geest is leven en vrede. Daarom dat de gezindheid van het vlees vijandschap is tegen G’d; want het onderwerpt zich niet aan de Wet G’ds; trouwens, het kan dat ook niet: zij, die in het vlees zijn, kunnen G’de niet behagen. Gij daarentegen zijt niet in het vlees, maar in de Geest, althans, indien de Geest G’ds in u woont.” (Romeinen 8:5-9). Wat wij hier lezen lijkt mij wel duidelijk: alleen indien G’ds Geest in ons woont zijn wij niet in het vlees. En hoe weten wij of G’ds Geest wel of niet in ons woont? Dat blijkt uit de manier hoe wij onze relatie met onze hemelse Vader in praktijk brengen, of wij G’ds Wet wel of niet proberen na te leven. In vers 7 lezen wij dat degenen die zich niet aan G’ds Wet, de Tora onderwerpen, nog de gezindheid van het vlees hebben en duidelijk niet de gezindheid van de Geest. Hoe kunnen christenen, waaronder ook de samenstellers van de Studiebijbel, die zich niet aan G’ds Wet onderwerpen, de Shabat en G’ds feesten niet vieren, varkensvlees eten en een heidense kerstboom in huis hebben beweren dat zij wel vervuld zouden zijn met de Heilige Geest en degenen die de Tora wel onderhouden niet? Deze verkeerde leerstelling die reeds vele eeuwen lang hardnekkig wordt verkondigd is nadrukkelijk in strijd met Romeinen 8. Ik vind dat dit nog duidelijker naar voren komt in ‘Het Boek’. Laten we deze tekst ook daar even lezen: “Wie zijn eigen zin doet, denkt en leeft alleen op natuurlijk vlak. Maar wie zich door de Heilige Geest laat leiden, denkt en leeft geestelijk. Het alleen maar doen van uw eigen zin leidt tenslotte tot de dood. Maar de kracht van de Heilige Geest brengt ons leven en vrede. Onze eigen zin gaat recht in tegen de wil van G’d. Hij onderwerpt zich niet aan G’ds Wet en kan dat ook niet. Mensen die alleen maar hun eigen zin doen, kunnen G’d dan ook niet tevreden stellen. Met u is het anders. U doet niet meer uw eigen zin, maar laat u leiden door de Geest; tenminste als de Geest van G’d in u woont.” Ziet u wat ik bedoel? ‘Het Boek’ noemt het kindje bij de naam: wie zich niet aan G’ds wet, de Tora, onderwerpt, doet gewoon zijn eigen zin die recht ingaat tegen de wil van G’d. Aan gelovigen die zichzelf als verlost en Geestvervuld zien wil ik daarom op grond van vers 9 de vraag stellen: Is het met u echt anders? Laat u zich echt leiden door G’ds Geest? Weet u zeker dat de Geest van G’d in u woont? Onderwerpt u zich aan G’ds Wet of bent u van mening dat u vrij bent van de Wet en doet dan op grond daarvan gewoon uw eigen zin? Eet u nog steeds varkensvlees, paling of garnalen terwijl de Bijbel zegt dat dit een gruwel is in G’ds ogen? Heiligt u nog steeds de heidense zondag of G’ds eigen rustdag, de Shabat, die vrijdagavond begint en zaterdagavond eindigt? Viert u nog steeds heidense feestdagen met een christelijke invulling zoals Pasen en Kerstmis of viert u de feestdagen des HEREN die Hij u als eeuwigdurende inzettingen heeft opgedragen? Gaat u liever bij een ander op bezoek of bent u zelf gastvrij? Ontvangt u liever dan dat u iets geeft? Bij 613 geboden en verboden zou ik dit rijtje nog een tijdje kunnen aanvullen, maar ik wil het hierbij laten, want het antwoord op deze vragen lijkt mij wel duidelijk. Kijk, u kunt uzelf en uw medemensen wel voor de gek houden, maar niet uw Schepper! Besef dat goed en denk er twee keer over na voordat u beweert een verloste en Geestvervulde gelovige te zijn. Begrijp mij goed: het gaat er niet om of u ook echt alles letterlijk doet wat de Tora van u vraagt, maar het gaat om uw hartsgesteldheid, of u rekening wilt houden met G’ds wil door u aan Zijn Wet te onderwerpen of niet. Het gaat erom of u het in elk geval wilt proberen en niet bij voorbaat al denkt: ‘daar begin ik niet aan’. Daar gaat het om in Romeinen 7. Sha’ul laat ons in dit hele hoofdstuk zien hoe moeilijk het is om G’ds Wet te gehoorzamen en dat wij daarin dikwijls falen omdat de wet der zonde soms sterker blijkt te zijn, maar hij laat ons ook weten dat wij in onze zwakheid geholpen en gesterkt worden door Ruach haQodesh die in ons woont. Als u bij voorbaat denkt dat u vrij bent van de Wet en dat de Tora voor u niet van toepassing is, dan zult u deze innerlijke strijd waarschijnlijk niet zo ervaren, maar dan mag u op grond van Romeinen 8:7 ook rustig van uit gaan, dat G’ds Geest niet in u woont, en wie de Geest van Yeshua niet heeft, behoort Hem niet toe! Wilt u dat? Volgens mij niet! Wel, het echte probleem waar wij mee zitten is dus niet de Wet van G’d, maar de wet der zonde. Hoe gaan wij daarmee om? Ook Sha'ul zat met datzelfde probleem en riep het uit:

 

Vers 24: “Ik, ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?”

 

In een recensie over het boek ‘Geloofszekerheid’ van Willem J. Ouweneel over de vraag of de ellende van Romeinen 7 de voortdurende en normale ervaring van iedere gelovige is, schrijft  dr. M.J. Arntzen in het Nederlands Dagblad: “Ouweneel erkent wel degelijk, dat ook gelovige mensen nog veel zonden doen, soms zelfs een tijd in de zonde leven. Maar dat is dan de macht van het vlees, van onze zondige natuur, die door de schrijver uitdrukkelijk wordt onderscheiden van de oude mens, die dood is. Dan komt nog het meest interessante gedeelte over Romeinen 7, dat -althans bij mij - ook de meeste vragen opriep. Bij dat alles blijven we wel overtuigd van Ouweneels diep gelovig omgaan met de Bijbel. Als Paulus zich in Rom. 7:24 een ellendig mens noemt, bedoelt hij niet zichzelf volgens Ouweneel, maar een christen die wel een ontwaakt geweten heeft, maar nog niet tot het besef kwam dat een ander voor hem de eis van de Wet volbracht. De echte Paulus zouden wij kennen uit wat volgt: ‘Ik dank G’d door Jezus Christus onze Here’ en in Rom. 6 en 8. Zeker neemt de schrijver ook de zonde van een christen ernstig. Terecht stelt de schrijver dat onze oude mens met Christus gekruisigd en gestorven is. Ook heeft hij ten volle gelijk, wanneer hij stelt dat we als gelovige mensen nog veel last hebben van onze oude natuur, van ons vlees. Toch gaat het reformatorisch belijden dieper en is het meer bijbels dan wat we bij Ouweneel lezen. Deze ziet toch de zonden nog te incidenteel, nog te veel als 'losse daden', als ik hem goed begrepen heb. Dat het voortkomt uit onze blijvende verdorvenheid, ook nadat we Christus aannamen, mis ik bij de schrijver. Ook als we dicht bij de Here schuilen, blijven onze zondige gedachten en begeerten ons plagen. Dat hoeft ons niet aangepraat te zijn door een 'zware' prediking. Het is de ervaring van de gelovigen in Oude en Nieuwe Testament en ook van ons in het einde der tijden. De meeste moeite heb ik nog met de uitleg van Romeinen 7:7-24, met name van 7:24. Ook de bekeerde Paulus, ook de meest vrome christen blijft een ellendig zondaar, tot zijn dood toe. Dat Paulus hier ineens iemand anders sprekend invoert, terwijl hij gewoon blijft spreken over ‘ik’, ‘mij’ en ‘mijn’, lijkt me een exegetische kunstgreep. Het is juist de rijkdom van het evangelie tegelijk zondaar en rechtvaardige te zijn. Diep bedroefd te zijn en te klagen over onze blijvende diepe verdorvenheid, maar tegelijk intens blij te zijn met de verlossing door Christus, die ons tot wijsheid, rechtvaardiging en heiliging gegeven is. We moeten strijden met onze oude natuur en door de Geest wandelen.” Evenals Matthew Henry is ook dr. Arntzen van mening dat Sha’ul in Romeinen 7 over de wedergeboren mens spreekt en het daadwerkelijk over zichzelf heeft en niet over iemand anders. Terecht noemt hij derhalve de opvatting van Ouweneel, die vrijwel overeen komt met die van de Studiebijbel een exegetische kunstgreep. Ik sluit mij hierbij aan. De samenstellers van de Studiebijbel blijven echter bij hun standpunt, dat alleen de mensen die volgens hen nog onder de Wet zijn, last zouden hebben van hun oude zondige natuur en om verlossing smeken, terwijl de wedergeboren gelovigen reeds van deze aan de wet der zonde onderworpen oude natuur verlost zouden zijn: “De roep om verlossing ‘uit het lichaam van de dood’ kan tot verwarring leiden. Paulus vraagt geenszins om van of uit zijn lichaam verlost te worden d.m.v. de dood. - Het ‘lichaam van deze dood’ is gelijk aan ‘het lichaam van de zonde’ en het ‘lichaam van het vlees. Het gaat daarbij niet zonder meer over de lichamelijke kant van de mens, maar om de ‘oude mens’, het ‘vlees’, dat onder de heerschappij is van de zonde. Door de zonde is de mens zowel onderworpen aan de lichamelijke dood als voorbestemd voor de eeuwige dood. Het ‘lichaam van de dood’ is dus de oude, aan de wet der zonde onderworpen natuur, die de eeuwige dood tegemoet gaat. De wedergeboren gelovige is van deze oude zondige natuur in principe door Christus verlost.” In deze uitleg kan ik mij wel vinden, zij het met een kanttekening. Weet u, het antwoord op de indringende vraag van Sha’ul wie ons kan verlossen uit het lichaam des doods is vanzelfsprekend Yeshua en niemand anders. Laat ik daar duidelijk in zijn. Maar daar is er wel een voorwaarde aan verbonden, en juist over deze voorwaarde wordt in het commentaar van de Studiebijbel met geen woord gerept. Deze voorwaarde vinden wij in Rom. 8, en wel in het vervolg van hetgeen wij zojuist gelezen hebben: “Indien de Mashiach in u is, dan is wel het lichaam dood vanwege de zonde, maar de geest is leven vanwege de gerechtigheid. En indien de Geest van Hem, die Yeshua uit de doden heeft opgewekt, in u woont, dan zal Hij, die Mashiach Yeshua uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken door Zijn Geest, die in u woont. Derhalve, broeders, zijn wij schuldenaars, maar niet van het vlees, om naar het vlees te leven. Want indien gij naar het vlees leeft, zult gij sterven; maar indien gij door de Geest de werkingen des lichaams doodt, zult gij leven.” (Romeinen 8:10-13). In ‘Het Boek’ staat ditzelfde nog een stuk duidelijker: “Door de zonde is uw lichaam onderworpen aan de dood. Maar als Christus in u woont, is uw geest levend omdat G’d u als rechtvaardig beschouwt. Als de Geest van G’d in u woont, heeft dat ook gevolgen voor uw lichaam. G’d heeft Jezus uit de doden opgewekt. Wel, doordat Zijn Geest in u woont, zal Hij ook uw stervelijke lichaam levend maken. Dus, broeders, zijn wij aan onze eigen zin niets meer verplicht. Wij hoeven er niet aan toe te geven. Als u zich door uw eigen zin laat leiden, zult u sterven. Maar als u zich laat leiden door de Heilige Geest en uw eigen zin prijsgeeft, zult u leven.” Yeshua zal ons inderdaad redden uit het lichaam dezes doods, maar alleen als G’ds Geest in ons woont, en we hebben zojuist gelezen dat Hij alleen maar in ons kan wonen als wij ons aan G’ds Wet onderwerpen en ons door Ruach haQodesh laten leiden om te proberen deze zo goed mogelijk na te leven. Wij moeten onze eigen zin prijsgeven en rekening houden met G’ds wil. Het geloof in Jezus en maar steeds ‘Halleluja! Prijs de Heer!’ roepen alleen en vervolgens G’ds geboden niet in praktijk brengen verlost ons echt niet uit het ‘lichaam dezes doods’. Integendeel! De Bijbel leert ons juist dat geloof, indien het niet met werken gepaard gaat, op zichzelf genomen, dood is: “Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, zo is ook het geloof zonder werken dood!” (bqiy Ya’aqov [Jacobus] 2:14-26).

 

Vers 25: “G’de zij dank door Yeshua haMashiach, onze Heer! Derhalve ben ik zelf met mijn verstand dienstbaar aan de Wet G’ds, maar met mijn vlees aan de wet der zonde.”

 

Commentaar Studiebijbel: “De tragische slotsom luidt dus: de mens die onder de Wet leeft, en ook werkelijk probeert die Wet te volbrengen, wordt in de praktijk door de macht van de zonde overheerst en staat daarmee onder het oordeel van G’d (pag. 193). Voordat Paulus dan ook komt met de conclusie van dit gedeelte over de mens onder de Wet, geeft hij eerst G’d de dank en de eer voor het feit dat hij ‘door Jezus Christus, onze Heer’ verlost is uit de macht van de zonde en de eeuwige dood (pag. 191).” Ze blijven het echt tot het einde toe stug volhouden dat Sha’ul het tot en met vers 24 niet over zichzelf zou hebben maar over de mens die onder de Wet leeft en die door de macht der zonde overheerst wordt, maar in vers 25 is het dan opeens wel Paulus zelf die verlost is uit de macht der zonde. Ik vind dit nogal manipulatief en zeker niet consequent. Hier wordt sterk de indruk gewekt dat mensen die de Tora naleven door de macht der zonde overheerst zouden worden terwijl mensen die dat niet doen verlost zouden zijn van deze zondemacht. Het is inderdaad waar dat de oude mens in ons geestelijk gezien door onze bekering voor de wet der zonde gestorven is, maar zolang wij ons hier op aarde in dit sterfelijk lichaam bevinden zullen wij nog altijd te maken hebben met onze zondige vleselijke natuur die ons steeds weer dingen laat doen waar we achteraf spijt van hebben. Een christen die dat ontkent of alleen maar op een ander projecteert, is gewoon schijnheilig en bevestigt daarmee alleen maar de vooroordelen van de wereldse mensen om ons heen, want reken maar dat die ons goed in de gaten houden! Het beste getuigenis naar buiten toe is derhalve eerlijkheid en toegeven dat ook wij nog steeds niet volmaakt zijn. Dit dilemma waar wij mee zitten en waar ook Sha’ul zelf mee zat zolang hij leefde brengt de vertaling van vers 25b in ‘Het Boek’ duidelijk naar voren: “Om kort te gaan: Ik sta met mijn verstand wel achter de Wet van G’d, maar ben in mijn dagelijks leven onderworpen aan de wet van de zonde.” Dit is de realiteit waar wij mee moeten leren leven, maar dat wil nog niet zeggen dat wij ons daar zomaar bij mogen neerleggen. Nee, het is juist de bedoeling onze zondige natuur in bedwang te houden door zelfbeheersing en het naleven van G’ds geboden. Ruach haQodesh [de Heilige Geest] wil ons daarbij helpen en ons de kracht en de toerusting geven die wij voor deze dagelijkse strijd en worsteling nodig hebben. Dat is de boodschap die Sha’ul ons in dit hoofdstuk wil doorgeven. En vergeet vooral niet elke dag Adonai om vergeving te vragen voor alle zonden en overtredingen en Hem te danken dat Yeshua onze straf daarvoor op Zich genomen heeft. Baruch haShem!

 

Hoofdstuk 8, de verzen 1 en 2: “Zo is er dan nu geen veroordeling voor hen, die in de Mashiach Yeshua zijn. Want de Wet van de Geest des levens heeft u in Mashiach Yeshua vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods.”

 

De samenstellers van de Studiebijbel komen uiteindelijk tot de slotconclusie: “Het gedeelte, waarin duidelijk werd gemaakt dat de mens die onder de Wet van Mozes leeft automatisch onder de heerschappij der wet van de zonde en de dood komt, is nu afgesloten. De gelovigen zijn immers niet meer onder die Wet; ze zijn voor de Wet gestorven (pag. 193).” En met die afsluitende woorden uit het commentaar van de Studiebijbel zijn we weer terechtgekomen bij het onderwerp en de titel van deze bijbelstudie: wij zijn nu dood voor de wet! Welke wet?

 

Werner Stauder